SBOH Nieuwsbrief februari
2020
Rechtszaken opstalbeleid
Bij
arrest van 31 januari 2020 heeft de Hoge Raad het cassatieverzoek van SBOH
ongegrond verklaard. Dit arrest is afgegeven op basis van artikel 81 van de wet
op de Rechterlijke Organisatie hetgeen inhoudt dat de Hoge Raad geen reden van
algemeen belang aanwezig acht om de uitspraak te motiveren en als gevolg
daarvan van motivatie heeft afgezien.
Dit
is een zeer spijtige (en in de ogen van de cassatieadvocaat van Houthoff en
onze eigen advocaat ook onterechte) uitkomst. De uitspraak brengt mee dat
Rijnland, ondanks dat zij minder waardevolle ruwe dijkgrond heeft uitgegeven,
de retributie mag baseren op de waarde van waardevollere bouwrijpe grond.
Tegen
een arrest van de Hoge Raad staat slechts een gang naar het Europese Hof voor
de bescherming van de Rechten van de Mens open. Dan dient er sprake te zijn van
schending van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens.
Een dergelijke procedure heeft slechts een zeer kleine kans van slagen zodat
deze route door onze advocaat niet wordt aanbevolen.
Dat
brengt mee dat de procedure tegen het nieuwe opstalsysteem hiermee voorbij is.
De uitkomst daarvan is dat de retributie bij heruitgifte zo mag worden
vastgesteld als Rijnland dat in haar beleid heeft bepaald. Wel is middels de
rechtszaken bereikt dat Rijnland bij de vijf jaarlijkse herziening de
retributie niet mag aanpassen aan de gestegen WOZ-waarde doch stijgt slechts
met 5% per vijf jaar. Daarnaast is het Rijnland niet toegestaan de algemene
voorwaarden eenzijdig te wijzigen.
Voor
degenen van wie het opstalrecht al was verlopen en die een tijdelijke
overeenkomst met Rijnland zijn aangegaan zolang de procedure nog liep, zal nu
alsnog de akte van heruitgifte met het nieuwe opstalrecht moeten worden
vastgesteld, onder toepassing van de overeengekomen voorwaarden. Het initiatief
daarvan ligt bij Rijnland.
Wijzigingen opstalbeleid
per 1 januari 2018
Het
per 1 januari 2018 gewijzigde opstalbeleid, en met name het daarin vastgelegde
minimumpercentage van 1,5%, geldt niet voor de opstalrechten die al eerder zijn
geëindigd en ten aanzien waarvan reeds heruitgifte is overeengekomen. Deze
rechten zullen immers met terugwerkende kracht worden her-uitgeven onder de
voorwaarden zoals die op dat moment golden, en daarvan maakt het
minimumpercentage geen onderdeel uit.
Rijnland
neemt echter een ander standpunt in. Zij meent dat zij eenzijdig de afspraken
mag wijzigen en wel een minimumpercentage van1,5% mag hanteren. Wij hebben in
een concreet geval gezien dat Rijnland de opstalhouder ook dwingt daaraan mee
te werken. In die situatie zal de
opstalhouder echter nakoming van de overeenkomst vragen in die zin dat het voor
1 januari 2018 geldende retributiebeleid zal worden gehanteerd. Het is niet
onmogelijk dat daarover wederom zal moeten worden geprocedeerd.
Mocht
Rijnland van u verlangen dat het opstalrecht opnieuw wordt uitgegeven, en
daarbij een minimumpercentage van 1,5% wil opnemen, dan hoeft u daar niet mee
in te stemmen. SBOH zal trachten met Rijnland af te stemmen hoe een en ander
kan worden geregeld zolang deze kwestie in rechte niet vast staat. U kunt er
ook voor kiezen wel mee te werken aan de heruitgifte maar te eisen dat het
minimumpercentage van 1,5% daarvan geen onderdeel uitmaakt.
Steigerzaken
Rijnland heeft ten aanzien
van de verhuur van steigers en ligplaatsen nieuw beleid ontwikkeld. Voor de
beschrijving ervan verwijzen wij naar
de nieuwsbrief van december j.l.
Als u hiermee geconfronteerd
wordt terwijl u een ‘verjaarde’ steiger heeft waarmee Rijnland in haar nieuwe
beleid geen rekening houdt en u een overeenkomst wil afdwingen waarin het
volledige oppervlak van de box is opgenomen, dan zal SBOH u daarin terzijde
staan.
Het
SBOH bestuur:
Wim Kruyt, voorzitter
Hans
G. Paar, secretaris
Karin
Buchner, penningmeester.
Reacties